Artikel uit "Kutter & Küste"

Tussen Zuidoost-Jutland en het eiland Funen slingert zich de Kleine Belt, die hier en daar tot 93 meter diep is. De getijdenstroom zorgt voor een zoutwateruitwisseling tussen het zuidelijke Kattegat en de westelijke Oostzee. Door de wisselende stroomrichting vloeit er om de zes uur zoutrijk, respectievelijk zoutarm water door de Belt. Kabeljauw, platvis, zeeforel en vele andere vissoorten hebben daarom toegang tot een rijk "voedselaanbod". Vangst van schol tot wel zeven pond behoort tot de mogelijkheden! Zomergasten zijn o.a. koolvis, geep, vlagzalm, makreel en met een beetje geluk soms een leng! Maar de Lillebelt biedt niet alleen een rijke verscheidenheid aan vissoorten. Natuurliefhebbers komen in het prachtige, afwisselende eindmorenelandschap volledig aan hun trekken. Een vakantie aan de Lillebelt wordt tot een belevenis voor de hele familie door de vele mogelijkheden voor fiets- en wandeltochten, uitstapjes in de omgeving, zeiltochten, zeeduiken en de vele goede stranden.

Onder stroom. De Kleine Belt is een beetje te vergelijken met een Noors fjord. Voor een succesvolle dag vissen is een getijdenplan daarom een voordeel. De vissen stellen hun voedseltijden in afhankelijk van de hoog- of laagwater-fase. De afwisseling van de getijdenstroom zorgt het hele jaar door voor goede visgelegenheid. Lokale vuistregel: zonder stroom bijt de vis slechter! Bij vloed duurt de voedseltijd ongeveer tweeëneenhalf uur, bij eb anderhalf uur. Gedurende deze tijd staan de vissen geconcentreerd in grote scholen. Afhankelijk van de stroomrichting kan men op verschillende plaatsen op een bijzonder goede vangst rekenen. De getijden richten zich naar de fasen van de maan. Bij volle maan stroomt het water sneller, hetgeen een groter getijverschil tot gevolg heeft. In deze tijd kunnen in de Lillebelt stroomsnelheden tot zes knopen ontstaan. Knopen zijn mijlen per uur, 1 zeemijl is 1,852 kilometer. Zes knopen komt dus ongeveer overeen met 11 kilometer per uur. Een boot in de hoofdstroom drijft dan zo snel, dat doelgericht vissen nog maar met moeite mogelijk is. Kabeljauw en platvis zoeken in deze periode rustplekken op. Dat zijn terugstromingen met lagere stroomsnelheid. Bij nieuwe maan is er een kleiner getijverschil, en dat betekent ook lagere stroomsnelheden. Gedurende deze periode kan men goed in de hoofdstroom van de Kleine Belt vissen. De optimale stroomsnelheid voor vissen vanaf de boot is 1 tot 1,5 knopen. Bij de wisseling tussen eb en vloed staat het water ongeveer een half uur stil. In deze periode verspreiden de vissen zich en verzamelen zich niet meer in grote scholen. Als het water opkomt (vloed), spreekt men van zuidstroom, de stroming loopt van noord naar zuid. Afnemend water (eb) wordt noordstroom genoemd, dit loopt van zuid naar noord. Degene die van deze stromingen in de Kleine Belt gebruik weet te maken, keert na een dag vissen bijna iedere keer met een volle viskist huiswaarts.

Kabeljauw. De Oostzee-kabeljauw is in de hele Kleine Belt rijkelijk voorhanden. In januari en februari bestaan de beste kansen op een grote kabeljauw. Vissen van 20 pond komen dan voor. De beste tijd voor vissen vanaf een kotter of charterboot is in de voorjaarsmaanden van maart tot juni. Gemiddeld weegt de kabeljauw ca. drie pond. Als het water in de zomermaanden warmer wordt, trekken de scholen kabeljauw naar ondieper water. In de avonduren kan men ze dan in de buurt van de oever zien jagen. Van juli tot november kan men goed van de wal vissen. Bij het vissen van de boot beloven talrijke onderwaterheuvels en kleine eilandjes een rijke buit.

Platvis. De Lillebelt staat bekend om zijn grote platvissen. Van augustus tot november breekt dan de platvissenkoorts uit. Vanaf het strand kunt u veel grote tongschar en bot buit maken. Het beste aas: zeepieren. Vanaf een boot heeft men kans om een tong in de maat XXL te vangen op waterdiepten van 15 meter. Bij een watertemperatuur van 14 graden krijgen de platvissen regelrechte vreethonger. Als aas worden zeepieren of stukjes haring gebruikt.

Zeeforel. Het zeeforelproject van Fyns Amt zorgt voor een uitstekende bestand van deze zo begeerde vissoort. Zeeforel, en in zee levende regenboogforel (de zogenaamde stealheads) worden het gehele jaar door gevangen - soms van opmerkelijk formaat. De absolute toptijd is van maart tot mei. Vissen van drie tot vijf kilo zijn dan geen zeldzaamheid! In de zomermaanden zijn de beste uren voor de vangst 's morgens, of 's avonds en 's nachts. Kleinere blinker en vliegen zijn dan top. Tegen de herfst als het water afkoelt, trekt de zeeforel overdag weer dichter bij land. Hun vreetgedrag neemt dan geweldig toe. Het is mogelijk om meerdere vissen per dag te vangen. In de wintermaanden worden meest kleine visjes gevangen. Als aas gebruikt men dan het beste langzaam lopende blinker en plug in felle kleuren. Als de watertemperatuur onder de 3 graden komt, eet de zeeforel nog slechts tien gram per kilo lichaamsgewicht per dag! De record-vis uit de Kleine Belt bracht 12 kilo op de weegschaal.

Haring. In de Kleine Belt kan men het hele jaar door haring vangen. De scholen zijn gewoonlijk zeer trouw aan hun staanplaats. De beste tijd voor haring is van oktober tot mei.

Tarbot. Van juni tot oktober wordt regelmatig mooie tarbot gevangen. Lange smalle stukjes haring of zandspiering aan een tot 2 meter lange onderlijn met schuiflood geven goede resultaten. Gemiddeld is het gewicht van de tarbot ongeveer drie pond. Goede stekken liggen voor Fønsskov Odde op 15 meter diepte, westelijk van Fænø op ongeveer 15 meter en tussen Flækøjet en Sønderskov.

Zomergasten. Afhankelijk van de weersgesteldheid wordt de Lillebelt in mei bezocht door grote scholen geep. De peilsnelle vissen storten zich gulzig op blinker, vliegen en stukjes haring. Niet zelden kan men geep van ongeveer een kilo vangen. Als het water in juni warm genoeg is, trekken makrelen uit het Kattegat naar de Belt. Bij vissen van de boot is in de zomermaanden koolvis geen zeldzaamheid. Gemiddeld wegen ze twee pond. Soms wordt aan de steile onderzeese hellingen zelfs leng gevangen. Wie zijn geluk wil beproeven, kan het beste met stukjes makreel of haring ten zuiden van Renshoved bij 30 meter beginnen. Daarna komt er een steile onderzeese helling voor die tot 70 meter diep gaat. Hier is men meestal verzekerd van een zeer sterke stroom. Ten zuiden van Fænø is er een 40-meter gat, waar ook kans op leng is. In juli en augustus kan men dikke vlagzalm verschalken. Van juni tot in oktober kan men in de ondiepe gebieden langs de kust of van een pier of haven mooie paling vangen met wormen of stukjes haring.





© Copyright Ronæs Strand Camping 2000
Webdesign by Webtek i/s
back